Recent verscheen een artikel in Het Belang Van Limburg over ondernemers die plots een jaar nadat ze verkeersboete hadden betaald, toch een extra minnelijke schikking van € 509 ontvingen omdat ze de identiteit van de betrokken bestuurder niet hadden doorgegeven!

Waar gaat het precies over? Wanneer een voertuig staat ingeschreven op naam van uw onderneming, heeft u de verplichting om in geval van een verkeersovertreding, de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen of, indien u deze niet kent, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig.

Deze verplichting is niet nieuw. Ook niet nieuw is het gegeven dat de geldboete die tegenover deze inbreuk staat vaak heel wat hoger dan de boete voor de overtreding zelf:

Als zaakvoerder van uw onderneming riskeert u een gevangenisstraf van 15 dagen tot 6 maanden en/of een geldboete van € 1.600 tot € 32 000.

Als rechtspersoon riskeert uw onderneming een geldboete van minimum € 4 000 tot € 96 000.

Deze straffen worden verdubbeld bij herhaling binnen drie jaar.

De bedoeling van deze wetsbepaling is natuurlijk duidelijk is en het is begrijpelijk dat Justitie de verkeersovertreders wilt kunnen identificeren om zogenaamde veelplegers op te sporen. Evenwel moet ook met zekerheid kunnen vastgesteld worden dat de ondernemer in kwestie die vraag om inlichtingen effectief heeft ontvangen.

Een onderneemster was onlangs van mening dat dit in haar geval niet zo was maar werd toch veroordeeld door de Nederlandstalige Correctionele rechtbank te Brussel. Ze liet het hier niet zomaar bij en stapte ze naar het Hof van Cassatie waar ze gelijk kreeg!

Volgens de correctionele rechtbank die haar veroordeelde mocht ervan uitgegaan worden dat de onderneemster de vraag om inlichtingen had ontvangen en was zij degene die feitelijke elementen moest bijbrengen om te bewijzen dat dat niet zo was.

Het Hof van Cassatie was het daar niet mee eens. Zij oordeelde in een arrest van 14 december 2021 dat het onterecht is dat het vermoeden dat de onderneemster kennis had van de vraag om inlichtingen, louter afgeleid kan worden uit de verzending van de uitnodiging tot onmiddellijke inning met een vraag om inlichtingen. Op basis daarvan kon immers niet met zekerheid besloten worden dat die vraag om inlichtingen aan de onderneemster zelf werd aangeboden of op haar zetel. Volgens het Hof van Cassatie is dit een schending van artikel 6.2 EVRM en wordt het vermoeden van onschuld miskend!

Kort maar bondig: Een verzending van de vraag om inlichtingen te verschaffen per gewone post bewijst niet dat u deze vraag ook effectief heeft ontvangen.

Het is wellicht geen toeval dat Justitie vanaf december 2021 haar voorzorgsmaatregelen heeft genomen en deze vragen nu meestal per aangetekende post verzendt met een veel prominentere vermelding van de aanmaning.

Heeft u een minnelijke schikking, een Pro Justitia of dagvaarding ontvangen? Dan adviseren wij u om voorgaande toch goed te controleren. Niet enkel of u de vraag tot inlichtingen heeft ontvangen maar ook hoe deze werd verstuurd. Het kan u in deze moeilijke economische tijden misschien nog wat opleveren.

Bijkomende tip: laat de gebruikelijke bestuurders van de bedrijfsvoertuigen van uw onderneming inschrijven in de Kruispuntbank Voertuigen via www.renta.be. In dat geval wordt immers vermoed dat de als gebruikelijke bestuurder geregistreerde persoon ook daadwerkelijk bestuurder was, behoudens tegenbewijs!

We staan je graag bij!

Contacteer ons
Summary